3.2 Leerlingvolgsysteem

Om het ontwikkelingsverloop van het kind in de eerste vier levensjaren goed in kaart te kunnen brengen en om goed in te spelen op het verdere verloop (doorgaande lijn) gedurende de basisschooltijd, willen we met ouders van vierjarigen een intakegesprek houden. Leidraad voor dit gesprek is het formulier: ‘Intakegesprek jonge kleuters’.Het gesprek moet ouders het positieve gevoel geven dat de school goed met het kind van start wil gaan. De school krijgt op die manier een goede indruk van het kind.Het dagelijkse werk van de kinderen wordt regelmatig nagekeken of gecontroleerd en beoordeeld. Daarnaast wordt door de leerkracht gekeken hoe het kind zich sociaal-emotioneel ontwikkelt. Ter afsluiting van een leerstofonderdeel volgt er veelal een methodegebonden toets. De leerkracht houdt de vorderingen van de kinderen bij in een registratiesysteem.
Voor de volgende onderdelen worden één of meerdere methode-onafhankelijke toetsen afgenomen, met gebruikmaking  van het Cito Leerlingvolgsysteem:

·         rekenen voor kleuters (groep 1 en 2)
·         taal voor kleuters (groep 1 en 2)
·         KIJK! (groep 1 en 2)
·         rekenen en wiskunde (groep 3 t/m 8)
·         drie minuten toets (DMT) en AVI (groep 3 t/m 8)
·         begrijpend lezen (groep 4 t/m 8)
·         spelling (groep 3 t/m 8)
·         werkwoordspelling (groep 7 en 8)
·         woordenschat (groep 5 t/m 8)
·         studievaardigheden (groep 6 t/m 8)
·         Viseon (groep 3 tot en met 8)
·         NSCCT; niet schoolse cognitieve capaciteiten test (groep 4 en 6)
·         Entreetoets (groep 7)
·         Eindtoets basisonderwijs (groep 8)

Mocht er uit bovenstaande toetsen een zorgsignaal naar voren komen dan kunnen de volgende toetsen incidenteel worden afgenomen voor verdere analyse.

  • Screeningsinstrument dyslexie
  • Cito luisteren (groep 3)
  • Dyslexie Screening Test (DST)
  • Brus, Klepel, PI-dictee
  • Diagnosticeren in de onderbouw/bovenbouw

Aan het einde van groep 7 vindt de Cito Entreetoets plaats. Deze toetst de opgedane kennis tot dan toe. Dit is voor de leerkracht een graadmeter om te bepalen wat de opbrengsten van het onderwijs zijn. Bovendien maken deze resultaten duidelijk aan welke onderdelen het komende jaar extra aandacht moet worden besteed.
We volgen alle kinderen op cognitief gebied. Het is echter belangrijk om de kinderen ook te volgen op sociaal-emotioneel gebied. We gebruiken hiervoor de VISEON in groep 3 tot en met 8, zowel de leerkracht en leerling-vragenlijst in de groepen waarvoor ze beschikbaar zijn. Voor de groepen 1/2 wordt de KIJK ingevuld. Hiermee worden alle kinderen tweemaal per jaar geobserveerd.

3.3  Rapportage

Van ieder kind wordt een leerlingendossier bijgehouden. Daarin worden gegevens opgenomen over het gezin, de leerlingbesprekingen, gesprekken met ouders, speciale onderzoeken, handelingsplannen en toets- en rapportgegevens van de verschillende jaren. In het schooljaar 2012-2013 zijn we overgegaan op een digitalisering van de leerlingdossiers. Hiervoor maken wij gebruik van het programma esis. Hierin worden verschillende registraties gedaan die ook door IB’er en directie in te zien zijn. De leerkracht houdt de dossiers in esis bij. Ook heeft iedere leerkracht de leerlingklappers met dossiers in de klas die voor de digitalisering van het dossier zijn bijgehouden.

3.4  Leerlingbespreking

In een aantal specifieke situaties wordt een leerling ingebracht in een leerlingbespreking. Hiervoor wordt vooraf schriftelijk toestemming gevraagd aan de ouder middels een toestemmingsformulier.
In een leerlingbespreking wordt op basis van intervisie met collega’s gezocht naar mogelijkheden om de leerling de juiste zorg te bieden. Hierbij proberen leerkrachten elkaar te ondersteunen en advies te geven. Ook bij zij-instromers wordt eerst de leerling ingebracht bij de leerlingbespreking om te beoordelen of de leerling kan worden aangenomen op school.

3.5  Rapportage aan ouders

Voor de kinderen van groep 1 en 2 wordt een verslag opgesteld dat driemaal per jaar met de ouders besproken wordt. De kinderen van groep 3 t/m 8 krijgen driemaal per jaar een rapport mee naar huis. De ouders worden bij alle rapporten uitgenodigd om het rapport met de leerkracht te bespreken in een “15-minutengesprek”, uitgezonderd de groepen 8 waarbij het tweede oudergesprek een adviesgesprek is dat tevens als laatste oudergesprek geldt. Bij het derde rapport kunnen ouders, wanneer zij dat wensen, een afspraak met de leerkracht maken. Voor de reguliere rapportgesprekken ontvangen ouders via Isy een uitnodiging om zich in te schrijven voor het oudergesprek. Indien daartoe aanleiding is, worden ouders tussentijds uitgenodigd voor een gesprek. Ouders kunnen altijd een gesprek aanvragen met de groepsleerkracht over hun kind.

3.6  Groepsplan

Binnen de groepen 3 t/m 8 wordt er gewerkt met groepsplannen. Hierin staat van alle leerlingen beschreven, wat ze nodig hebben en wat de leerkracht aanbiedt. In het schooljaar 2013 - 2014 heeft iedere groep minimaal 3 groepsplannen bij één van de volgende vakgebieden: rekenen, technisch lezen, begrijpend lezen en spelling. Het groepsplan bestrijkt een periode van een half jaar en wordt periodiek aangepast. Het uiteindelijke doel is om in 2015 voor alle basisvakken zoals boven beschreven te werken met een groepsplan. In het groepsplan wordt het leerstofaanbod op drie niveaus aangeboden, waardoor elk kind zoveel mogelijk op zijn/haar specifieke onderwijsbehoeften wordt aangesproken. Er wordt meer zelfstandig gewerkt. Daarbij wordt er een beroep gedaan op klasgenoten, zodat kinderen gezamenlijk of in kleinere groepjes op zoek gaan naar oplossingen. Leren van en met elkaar heeft veel voordelen. Hierdoor creëert de leerkracht ruimte om instructie te geven aan die kinderen die dat specifiek nodig hebben (met behulp van bijvoorbeeld de instructietafel).

3.7  Groepsbespreking

Een aantal keer per jaar bespreekt de leerkracht met de IB’er de resultaten van de groep en van individuele leerlingen. Op dit moment worden ook de groepsplannen geëvalueerd. In november vindt er een tussenevaluatie van het eerste deel van het groepsplan plaats, na de citotoetsing in januari wordt dit groepsplan afgesloten met een eindevaluatie. Ook in de tweede helft van het schooljaar wordt het groepsplan geëvalueerd met een tussen- en eindevaluatie.
Tijdens de groepsbespreking met de IB’er wordt ook aandacht besteed aan de zorg voor individuele leerlingen waarbij gekeken wordt hoe de leerkracht of het kind verder ondersteund kan worden.

3.8   Zorg voor kinderen met specifieke problemen

Een leerkracht kan signaleren dat sommige kinderen de basisvaardigheden onvoldoende beheersen. Dit kan worden bevestigd door toetsen en schoolonderzoeken. Ook als ouders vinden dat de prestaties van hun kind achterblijven kunnen ze dit aangeven. De ouders spelen een belangrijke rol en hebben net als de school een grote verantwoordelijkheid.  De groepsleerkracht formuleert een hulpvraag en bespreekt deze met de interne begeleider. Deze vraag kan ook worden voorgelegd aan collega’s tijdens de leerlingenbespreking. De groepsleerkracht en/of de interne begeleider doen samen een onderzoek. Dat kan bijvoorbeeld bestaan uit het afnemen van toetsen en het observeren in de groep. Aan de hand van de uitkomst van dit onderzoek wordt, indien noodzakelijk, een uitgebreid individueel handelingsplan opgesteld voor een langere periode (van 6 tot 12 weken). Wanneer het om een langere periode gaat, dan horen daar tussentijdse evaluaties en eventuele bijstellingen bij. Dit kan onder andere een eigen leerlijn bevatten.Om greep te krijgen op de schoolprestaties kan de IB-er een verkennend onderzoek verrichten.
De functie hiervan is dat we informatie verkrijgen over de sterke en zwakke kanten van een kind om van daaruit meer gerichte hulp te bieden. Bij sommige kinderen kan meteen worden overgegaan tot hulpverlening. Bij andere kinderen is het nodig verder onderzoek te verrichten. Vervolgens stelt de groepsleerkracht (eventueel geadviseerd door de IB’er) een individueel handelingsplan op. Dit wordt met ouders besproken. In sommige gevallen is het nodig om deskundigheid van buiten de school aan te trekken, bijvoorbeeld via de schoolbegeleider van BCO of ondersteuning voor de leerkracht vanuit het speciaal onderwijs door de ambulante begeleider. Andere deskundigen kunnen in overleg met ouders ingeschakeld worden. Daarbij kan men denken aan Bureau Jeugdzorg, Algemeen Maatschappelijk Werk of GGD. Zij zitten bovendien gebundeld bij elkaar in het ZAT (ZorgAdviesTeam). Het is aan de ouders of de school bij externe deskundigen betrokken wordt. Een goede samenwerking tussen ouders, deskundigen en school is natuurlijk van groot belang. Zo kunnen wij ervoor zorgen dat aan uw kind alle mogelijke zorg wordt verleend. In het kort zien we de volgende structuur:
Begeleiding vindt plaats in de klas door de leerkracht aan de hand van het groepsplan. Bij uitval, ondanks inzet van het groepsplan, maakt de leerkracht (indien nodig m.b.v. IB) een individueel handelingsplan (IHP) en voert het uit. Dit plan is gebaseerd op nadere analyse en/of onderzoek door de leerkracht/IB’er. Een plan opzetten, indien mogelijk in overleg met de leerling. Vervolgens worden de ouders hiervan in kennis gesteld. Na 6-8 weken wordt het handelingsplan geëvalueerd en worden er, indien nodig, vervolgacties op touw gezet. Dit kan betekenen dat er een nieuw handelingsplan wordt opgesteld. Voor de interne/externe bespreking hiervan wordt een HGPD ingevuld. Onderzoek door externen vindt normaal gesproken alleen plaats als al deze stappen doorlopen zijn. Rugzakleerlingen (leerlingen met leerling gebonden financiering; LGF) worden begeleid door de IB.

3.9       Zorg voor meerbegaafde kinderen

Ook deze kinderen kunnen zorgkinderen zijn. Als de school niet uitdagend genoeg is of te weinig tegemoet komt aan de specifieke behoeften van deze kinderen, kan er een situatie ontstaan waarin zij zich niet prettig voelen op school. Ook dit schooljaar zullen we deze leerlingen waar mogelijk extra uitdaging bieden binnen de reguliere klassensituatie, altijd in overleg met ouders. Hiervoor kan het Digitaal Handelingsprotocol Hoogbegaafdheid (DHH) worden gebruikt. Verder zijn er nog andere specifieke materialen op school aanwezig. Voor hoogbegaafde kinderen bestaat er momenteel de plusklas Stroming. Een bovenschoolse plusklas voorziening vanuit de stichting. Om hiervoor in aanmerking te komen zijn er criteria opgesteld en wordt altijd in overleg met leerkracht, IB’er en ouders naar de mogelijkheden gekeken. Nog in ontwikkeling is het hoogbegaafdheidbeleid en de uitwerking daarvan op schoolniveau. In de groepen 1, 3 en 5 wordt, in verband met een vroegtijdige signalering, een quick scan afgenomen, dit als onderdeel van het DHH.

3.10      Zorg voor langdurig zieke kinderen              

Het komt voor dat kinderen lange tijd geen onderwijs kunnen volgen door ziekte. We bedoelen hiermee kinderen die langer dan drie weken ziek zijn. Uiteraard hebben deze kinderen ook recht op onderwijs. Bij de begeleiding van langdurig zieke kinderen (LZK) kunnen wij externe hulp inschakelen. Een consulent “onderwijs aan LZK” kan de school ondersteunen bij het opzetten van een onderwijsbehandelplan (uitwisselen van gegevens, opstellen van een handelingsplan, geven van informatie aan de andere ouders en kinderen van de groep). De contacten met de consulent verlopen voornamelijk via de leerkracht, daarbij ondersteund door IB-er. Met toestemming van de ouders wordt de consulent ingezet voor coaching van de leerkracht en voor het geven van onderwijs aan het betreffende kind. Zonder toestemming van de ouders wordt de consulent alleen ingeschakeld voor coaching van de leerkracht. Regelmatig vindt overleg plaats met ouders en alle betrokkenen, worden handelingsplannen geëvalueerd en nieuwe afspraken gemaakt. De consulent LZK kan hulp geven bij:

  • contacten tussen ouders en instanties
  • verblijf in ziekenhuis
  • langdurig verblijf thuis
  • geven van informatie
  • de terugkomst op school

Voor ons is het van groot belang dat het langdurig zieke kind betrokken blijft bij school en zijn/haar groepsgenoten en indien mogelijk onderwijs kan volgen.

3.11      Wat kunnen we als school wel en wat kunnen we als school niet?

Elke school, ook de onze, heeft een aantal mogelijkheden in het verstrekken van zorg, het verstrekken van extra hulp en het verstrekken van extra zorg.We begeleiden de kinderen met onze mogelijkheden en proberen daarin ook met de kinderen het hoogst haalbare te bereiken. De leerkrachten hebben het onderwijs zodanig ingericht dat het onderwijs gegeven wordt op drie verschillende instructieniveaus waardoor de meeste kinderen, passend bij hun niveau, goed begeleid kunnen worden. Er wordt zoveel mogelijk aangesloten bij het niveau van het kind en met methodegebonden toetsen en met CITO toetsen en het leerlingvolgsysteem wordt het kind in de ontwikkeling gevolgd. Waar nodig wordt extra onderzoek verricht om bepaalde problematieken helder te maken, dit met het doel dan nog gerichter hulp te kunnen bieden. Onderzoek dat we niet zelf kunnen verrichten, omdat we daar zelf niet de expertise voor hebben, wordt door externe instanties uitgevoerd. Waar nodig worden ook externe instanties ingeschakeld bij de hulpverlening nadat een onderzoek is uitgevoerd.Elke school, ook de onze, loopt tegen grenzen aan, in de zin van … de grenzen van de mogelijkheden. Zo hebben we bijvoorbeeld geen uitgebreide budgetten om onderzoeken te kunnen laten uitvoeren door externe instanties. Ook kunnen we, al zouden we het willen, niet alle kinderen, waarvoor dit misschien nodig zou zijn, de volledige extra zorg geven die ouders/verzorgers graag zouden zien. Enkele kinderen hebben recht op extra middelen/zorg omdat ze middels indicatie recht hebben op gelden uit de Leerling Gebonden Financiering (LGF, zogenoemde rugzakjes), daar is uit de formatie extra hulp voor ingepland. Zoals u mogelijk al weet, gaan ook deze extra middelen in de nabije toekomst verdwijnen. Waar mogelijk en waar nodig gaan we bij het aanvragen van noodzakelijke onderzoeken door externe instanties samen met de ouders in overleg om te bekijken of aanvraag voor een onderzoek mogelijk via de huisarts en/of de ziektekosten-verzekering gedaan kan worden.

3.12      Protocol verlengde leertijd

Beleid t.a.v. verlengde/verkorte leertijd
Uitgangspunten:
In de regel proberen we doubleren zoveel mogelijk te voorkomen. Bij een doublure (verlengde leertijd) is er geen sprake meer van een ononderbroken ontwikkelingslijn. De afweging tot verlengde leertijd wordt genomen in het perspectief van wat mag worden verwacht als het kind overgaat of blijft zitten. Er wordt rekening gehouden met de totale ontwikkeling van het kind. Mogelijkheden en onmogelijkheden van de ontvangende groep worden in kaart gebracht. Groepsgrootte, aantal zorgleerlingen en samenstelling van de groep spelen ook een rol in de afweging. Leerproblemen alleen hoeven geen reden te zijn om een kind te laten doubleren; kinderen die moeite hebben met de reguliere leerstof, krijgen in principe speciale leerstofinstructie. Een leerling met een verlengde leertijd heeft, indien nodig, een aangepast programma dat gepresenteerd wordt door de groepsleraar, eventueel in samenspraak met IB-er.Het besluit tot verlengde leertijd wordt zeer zorgvuldig genomen. Verkorten van de leertijd d.m.v. het overslaan van (een gedeelte) een klas is in principe mogelijk, maar ook deze beslissing zal weloverwogen genomen dienen te worden, met speciale aandacht voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind. Er kan alleen maar sprake zijn van deze versnelling als de resultaten van een kind opvallend veel beter zijn dan die van de rest van de groep en de sociaal-emotionele ontwikkeling in de pas loopt. In alle gevallen zal -na overleg met de ouders- de leerkracht in samenspraak met de Interne Begeleider (indien noodzakelijk directie) de uiteindelijke beslissing nemen. Deze beslissing is bindend.

Instroom 4-jarigen en plaatsing:

Alle 4-jarigen worden geplaatst in groep 1. De 4-jarigen, geboren vóór 1 oktober, stromen het daarop volgende schooljaar bij evenwichtige leer-en ontwikkelingsresultaten door naar groep 2, vervolgens naar 3, enz. Voor een kind dat vanaf 1 oktober vier jaar wordt, met andere woorden, dat gedurende het schooljaar na 1 oktober instroomt, geldt dat het na de zomervakantie mogelijk doorstroomt naar groep 2 als gebleken is, dat het om pedagogische en/of didactische en/of sociaal-emotionele redenen beter is voor dat specifieke kind.

3.13      Zorg binnen stichting Swalm en Roer
Samenwerking met externen via het Zorg en Advies Team (ZAT)

Elke school moet er voor zorgen dat de leerlingen zo goed mogelijk de school doorlopen. Soms is daarbij extra zorg nodig. Dat kan zorg zijn op het gebied van leren, maar ook zorg op het gebied van gedrag, of zorg omdat een leerling niet lekker in zijn vel zit. Soms heeft de school bij het begeleiden van zorgleerlingen hulp van anderen nodig. De school werkt daarvoor samen met mensen die deskundig zijn op dat gebied, bijvoorbeeld mensen van een onderwijsbegeleidingsdienst (BCO), of van Bureau Jeugdzorg (BJZ) en het Algemeen Maatschappelijk Werk (AMW). Net zoals de meeste andere scholen in Roermond en omgeving, werkt de Hubertusschool samen met een ZAT. In het ZAT zit een vaste medewerker van school (de intern begeleider) en ook vaste medewerkers van BJZ, AMW en Jeugdgezondheidszorg. Als het nodig is, kunnen er soms ook andere deskundigen bij zitten, bijvoorbeeld de leerplichtambtenaar, iemand van een onderwijsbegeleidingsdienst, ambulante begeleiders vanuit het speciaal basisonderwijs of speciaal onderwijs. Wij willen er zo voor zorgen dat er op tijd de goede zorg wordt gegeven, zodat waar mogelijk verdere problemen worden voorkomen. Ook willen we dat school en deskundigen buiten de school goed samenwerken, en samen één plan maken voor een kind. Op deze manier proberen we externe hulpverlening zo laagdrempelig te maken.

De werkwijze
Op geregelde tijdstippen (eenmaal per 14 dagen)  komt het ZAT op verschillende locaties bij elkaar om te spreken over leerlingen die extra zorg nodig hebben. Op het moment dat de school een casus inbrengt, sluiten ouders en school bij die bijeenkomst aan. Ook buiten de bijeenkomsten van het ZAT houdt de intern begeleider, als dat nodig is, contact met de betrokken instellingen. In het ZAT wordt besproken hoe we met een bepaald probleem om kunnen gaan. Kan de intern begeleider zelf aan de slag, of is er hulp nodig van de deskundigen? En welke hulp is dan het beste? Ook bespreken we wat er gebeurd is met de leerlingen die tijdens de vorige bijeenkomsten besproken zijn. Is de hulp al gestart? Heeft het gewerkt? Moeten we nog andere afspraken maken? Verder kunnen we vanuit het ZAT nog de volgende dingen doen:

  • Bespreken wat de intern begeleider of de leerkracht nodig heeft aan adviezen om zelf met het probleem verder te kunnen.
  • Een gesprek houden op school met  de ouders om adviezen te geven of om te proberen dat de ouders hulp aanvaarden.
  • Het kind bekijken in de klas om te zien hoe het daar met hem gaat.
  • De plannen van school en de plannen van de hulpverlening goed bij elkaar aan laten sluiten, zodat het één plan wordt voor een kind.
  • Hulpgesprekken organiseren op vraag van de ouders zelf.
  • Hulp of gesprekjes vanuit jeugdzorg of maatschappelijk werk organiseren met de kinderen zelf.

Als we een leerling willen bespreken in het ZAT of met andere hulpverleners, zal de school hiervoor altijd eerst schriftelijk toestemming aan de ouders vragen. We streven er naar dat ouders bij de bijeenkomst aanwezig zijn. Dit om een zo volledig mogelijk beeld te scheppen. Het is mogelijk om een leerling anoniem te bespreken in het ZAT wanneer ouders geen toestemming hebben gegeven.

Omgaan met leerlinggegevens
De gegevens van de leerlingen die de school verzamelt in het ZAT, maar ook de informatie die de school krijgt van de ouders, of de meer algemene informatie over de leerling (zoals de naam en het adres, het verzuim, de toetsresultaten, enz.) komen allemaal in het leerlingendossier van de leerling te staan. Al deze informatie is nodig om de leerling goed onderwijs en goede zorg te kunnen geven.We gaan heel zorgvuldig om met deze gegevens. Dat moeten we ook, omdat dit valt onder de Wet Bescherming Persoonsgegevens. Wilt u meer weten over deze wet kijk dan op http://www.cbpweb.nlDeze wet is er om ervoor te zorgen dat gegevens over personen zorgvuldig gebruikt worden, en dat er geen misbruik van deze gegevens gemaakt wordt.  Daarom mogen de gegevens van het leerlingendossier alleen binnen de school gebruikt worden. De ouders moeten dan ook altijd eerst toestemming geven als de school informatie over de leerling wil bespreken met anderen, of als anderen informatie over een leerling willen vragen bij de school. Ouders hebben recht op inzage van het dossier.Als u vragen hebt over specifieke zorg in de school, neem dan contact op met de interne begeleider: Lieke Peeters-Geene (groep 1 t/m 4) of Anke Driessen (groep 5 t/m 8). Meer informatie zie de website van het samenwerkingsverband van de stichting kunt u vinden op: www.swalmenroer.nl.  In de menubalk klikt u vervolgens op ‘WSNS’.

3.14   Overgang naar het voortgezet onderwijs

Na groep 8 gaan de kinderen naar het voortgezet onderwijs. Ze hebben de keuze uit veel scholen. Wij proberen hen en hun ouders bij die keuze te helpen. Dat gebeurt op verschillende manieren.
Op de eerste plaats is er het advies van de leerkracht, die zich daarbij baseert op de gehele schoolloopbaan van het kind. CITO geeft, naar aanleiding van de entreetoets groep 7, een prognose voor de eindtoets. Deze prognose wordt meegenomen in het advies en tijdens het eerste oudergesprek in groep 8 besproken. De Cito eindtoets basisonderwijs (groep 8) is een extra toets om samen met het advies van de leerkracht een definitieve keuze te bepalen.In december is er een algemene info-avond, waarop de diverse scholen voor voortgezet onderwijs uit de regio zich zullen presenteren. Verder worden de kinderen en de ouders attent gemaakt op de diverse open dagen.Voor leerlingen uit groep 7 die al een keer hebben gedoubleerd én die het eindniveau groep 6 beheersen, wordt de mogelijkheid onderzocht om vervroegd (eind groep 7) door te stromen naar het voortgezet onderwijs. Belangrijk daarbij is dat het doorlopen van groep 8 geen meerwaarde biedt in de ontwikkeling van de leerbaarheid en de sociale emotionaliteit. Indien dit het geval is zal de school vervroegde doorstroming naar het voortgezet onderwijs nadrukkelijk adviseren.
Tevens wordt een uitgebreid advies van het voortgezet onderwijs gevraagd. In de eigen groep wordt verder aandacht besteed aan het schoolverlaten.

3.15      WSNS en Continuering van de zorg in het voortgezet onderwijs

Op de meeste basisscholen zitten kinderen die extra zorg krijgen, omdat ze dit nodig hebben. Voordat de school met de extra hulp start, wordt de vraag gesteld: “Kunnen we dit zelf, of is er op de speciale basisschool een betere plek voor onze leerling? In toenemende mate is het antwoord: “Ja, dat kunnen we zelf”. Het beleid achter deze ontwikkeling heet: Weer Samen Naar School (WSNS) en leerlingengebonden financiering (LGF of de zogenaamde ‘rugzakleerling’). Dit heeft ertoe geleid dat de speciale (basis-) scholen in de afgelopen jaren steeds minder leerlingen hoefden op te vangen, omdat de basisscholen zelf de extra zorg konden bieden. De meeste ouders die hierbij betrokken waren (omdat hun kind het moeilijk had op school), vonden dit een prima oplossing: nu bleef hun kind bij de eigen vriendjes en vriendinnetjes op de eigen basisschool in de buurt. Aan het eind van de basisschool bespreekt de school met de ouders welke vervolgopleiding het meest geschikt voor hun kind is. De ouders zullen dan vragen: ,,Krijgt ons kind, dat bij jullie extra zorg heeft gekregen, die extra zorg ook in het vervolgonderwijs?’’ De betrokken leraar van groep 8 zal dan moeten antwoorden: ,als er leerachterstand is op meerdere gebieden dan zal uw kind hiervoor in aanmerking kunnen komen; het is afhankelijk van de grootte van de achterstand of uw kind in aanmerking komt voor leerwegondersteunend onderwijs (LWOO) of praktijkonderwijs (PRO).  LWOO betekent dat uw kind extra hulp krijgt in het voortgezet onderwijs. PRO betekent dat het voor uw kind beter is dat hij deze hulp krijgt in een aparte school met nog meer extra faciliteiten.’’ Voor kinderen die een leerlingengebonden budget hebben, geldt ook dat deze extra ondersteuning gecontinueerd kan worden in het vervolgonderwijs als tenminste voldaan wordt aan de daarvoor geldende criteria. Al deze voorzieningen geven de garantie voor extra hulp in het vervolgonderwijs. Om als leerling hiervoor in aanmerking te komen is een indicatie noodzakelijk. Het is dus geen automatisme! De leerling wordt getest en er wordt een rapport opgemaakt zodat beoordeeld kan worden of de leerling voldoet aan de geldende criteria. Hiervoor zijn verschillende routes. Een LWOO indicatie wordt afgegeven door een Regionale Verwijzingscommisie (RVC). De PRO beschikking wordt afgegeven door de Permanente Commissie leerlingenzorg (PCL) en de rugzakindicatie door de Commissie voor indicatiestelling (CVI’s). Als basisschool zullen we u en uw kind extra begeleiden bij de overstap indien een van deze drie vormen van extra leerlingenzorg aan de orde is. Niet elke basisschool geeft op dezelfde wijze extra hulp op school. Dat geldt ook voor de scholen voor vervolgonderwijs. Niet elke school voor voortgezet onderwijs heeft LWOO op dezelfde wijze ingevuld.Bij de keuze van de ouders voor de vervolgschool zou een aanvullende vraag kunnen zijn: ,,Hoe helpen ze ons kind daar verder? Sluit deze hulp aan bij de reeds geboden hulp op de basisschool  en is het noodzakelijk dat deze hulp aansluit?”
De conclusie is dus: de extra zorg op de basisschool zal in principe worden voortgezet op het voortgezet onderwijs. De wijze waarop kan (sterk) afwijken van de wijze waarop in het basisonderwijs extra zorg is verleend. Leerlingen die op de basisschool geen extra zorg hebben gehad kunnen daarvoor in het voortgezet onderwijs toch in aanmerking komen mits ze maar voldoen aan de daarvoor geldende criteria.